Moeilijke woorden bovenbouw vo

Je vind hier heel veel moeilijke woorden geschikt voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Dat is natuurlijk vrij breed genomen; het ene niveau is vanzelfsprekend moeilijker dan het andere. Op de bovenbouw van het VWO wordt je nu eenmaal geacht moeilijkere woorden te kennen dan op de HAVO, MAVO of het VMBO.

Mocht je merken dat je wel heel veel woorden niet kent, dan kun je altijd voorlopig even switchen naar de moeilijke woordenlijst voor de onderbouw of nog wat oefenen op dat niveau.

Oké, aan de slag!
Hieronder kun je nog wat testjes maken. maar je kunt natuurlijk ook gelijk naar de woordenlijst daaronder. Succes!

/10

BOVENBOUW WOORDEN

Kies de betekenis van het woord

FRÊLE

SPECTRUM

TERGEN

COMPETENTIE

VIGILANT

CONJUNCTUUR

HEUGEN

ARCHIPEL

EXCESSIEF

TRIVIAAL

Je score is

0%

woorden leren bovenbouw vo

A
actualiseren = bijwerken, up-to-date maken
Voorbeeld: Ik heb de hele middag gespendeerd aan het actualiseren van de boekhouding.

adhesie = steun
Voorbeeld: Je adhesie betuigen aan een actie.

affirmatief = bevestigend
Voorbeeld: Ze knikte affirmatief.

ageren = handelend optreden
Voorbeeld: De bewoners ageerden tegen de plannen van de gemeente.

akkefietje = een storend voorval, een ruzietje
Voorbeeld: Na dat ene akkefietje hebben we nooit meer problemen met elkaar gehad.

ambivalent = dubbel; twijfel
Voorbeeld: Ze heeft ambivalent gevoelens bij haar nieuwe baas.

amnestie = kwijtschelding van straf
Voorbeeld: Er werd amnestie verleend aan de gevangene.

ampel = uitgebreid, zeer uitvoerig
Voorbeeld: Na de ampele ondervragingen was hij niet langer verdacht.

amuse = klein hapje vooraf
Voorbeeld: We zaten net toen de ober al een amuse bracht.

anarchie = wanorde, toestand waarin niemand de leiding heeft
Voorbeeld: Het gebrek aan leiding leidde tot een totale anarchie.

annexeren = beslag leggen op een gebied
Voorbeeld: Alle weilanden zijn inmiddels geïndexeerd door de gemeente.

an sich = op zich
Voorbeeld: Dit geval an sich is niet zo interessant.

antecedent = woord waarnaar verwezen wordt
Voorbeeld: Ik sprak Ollie zojuist en zie haar morgen weer. ‘Ollie’ is in deze zin het antecedent.

antoniem = woord met tegenovergestelde betekenis, tegenovergestelde
Voorbeeld: ‘Druk’ is een antoniem van ‘rustig’.

a priori = van tevoren
Voorbeeld: Je kunt er niet a priori van uitgaan dat dat ook daadwerkelijk gebeurt.

assertief = zelfverzekerd, voor zichzelf opkomend
Voorbeeld: Ze reageerde assertief op het plotselinge vragenvuur.

associatie = koppeling, verbinden van de ene gedachte met de andere
Voorbeeld: Dat bracht negatieve associaties van vroeger met zich mee.

autonoom = zelfstandig; onafhankelijk
Voorbeeld: Vanaf nu is het land een autonome republiek.

archipel = eilandengroep
Voorbeeld: Indonesië bestaat uit een archipel.


B
barbaars = wreed
Voorbeeld: Tijdens de slavernij werden slaven uiterst barbaars behandeld.

behelzen = inhouden, bevatten
Voorbeeld: De nieuwe overeenkomst behelst niet alleen maar positieve punten.

bejegenen = behandelen
Voorbeeld: Ik voelde me onjuist bejegend.

bilateraal = tweezijdig
Voorbeeld: De beide landen respecteren al jaren de bilaterale afspraken.

blijkens = zoals blijkt uit, volgens
Voorbeeld: Blijkens zijn eerder verklaring wist hij van niets.


C
capitulatie = overgave
Voorbeeld: Na de capitulatie was de oorlog voorbij.

chargeren = overdrijven
Voorbeeld: Nu chargeer je.

charismatisch  = met veel charisma / uitstraling, inspirerend
Voorbeeld: Hij is een charismatisch man die altijd veel mensen meekrijgt.

cineast = filmmaker
Voorbeeld: De cineast had reeds vele prijzen ontvangen.

clementie = genade, welwillendheid
Voorbeeld: Hij toonde clementie jegens zijn opponent.

clownesk = als een clown
Voorbeeld: Hij trok de aandacht met zijn clowneske gedrag.

clusteren = samenvoegen; samenbrengen in groepen
Voorbeeld: We hebben alle gegevens geclusterd en in één dossier.

committeren = opdracht geven, binden
Voorbeeld: Zijn committeerden zich aan het genomen besluit.

compatibel = uitwisselbaar; met elkaar in overeenstemming te brengen
Voorbeeld: De nieuwe versie is compatibel met de oude software.

competentie = deskundigheid
Voorbeeld: Competenties zijn vaardigheden of kwaliteiten die je kunt ontwikkelen.

competitief = concurrerend, strijdlustig
Voorbeeld: Hij heeft altijd al een competitieve instelling gehad.

compulsief = dwangmatig
Voorbeeld: Dat hij iedere keer het schilderij recht moet hangen is een vorm van compulsief gedrag.

concern = grote onderneming met veel vestigingen
Voorbeeld: Shell is een concern met vestigingen overal in de wereld.

concretiseren = iets concreet maken, vast vorm geven
Voorbeeld: Kun je dat verhaal concretiseren voor mij?

congruent = overeenstemmend
Voorbeeld: Hij vertoont congruent gedrag, hij reageert namelijk precies zoals hij zich voelt van binnen.

conjunctuur = economische golfbeweging
De schommelingen in de economische groei op korte termijn noem je conjunctuur.

consolideren = verstevigen, duurzaam maken
Voorbeeld: Het bedrijf wist zijn marktpositie dit jaar wederom te consolideren.

constructief = opbouwend; bruikbaar
Voorbeeld: Ik kreeg naast complimenten ook wat constructieve kritiek.

consulteren = raadplegen, om advies vragen
Voorbeeld: Het is verstandig een advocaat te consulteren.

continueren = voortzetten, doorgaan
Voorbeeld: Hij aarzelde even en continueerde toen zijn betoog.

controverse = geschil, heftig meningsverschil
Voorbeeld: Er ontstond een controverse waarbij we lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan.

convenant = officiële overeenkomst
Voorbeeld: Vandaag werd dan eindelijk het convenant gesloten.

correlatie = onderliggend verband
Voorbeeld: Er is geen correlatie gevonden tussen de beide zaken.

courant = gangbaar, gebruikelijk
Voorbeeld: Dit model is nogal zeldzaam, deze echter is vrij courant.

cumulatief = toenemend, oplopend, dat steeds bij elkaar opgeteld is
Voorbeeld: De cumulatieve premies van de afgelopen twee jaar.


D
decadent = overdreven rijk of duur; duur, maar smakeloos
Voorbeeld: Dat nieuwe, dure jacht past volledig in zijn decadente leefstijl.

delicaat = gevoelig, waar je voorzichtig mee moet zijn
Voorbeeld: Dit is een delicate kwestie.

desillusie = ontgoocheling, teleurstelling
Voorbeeld: De desillusie was groot na het tegendoelpunt in de laatste minuut.

derving = verlies, gemis
Voorbeeld: Door diefstaf is er een aanzienlijke omzetderving.

devies = motto, lijfspreuk
Voorbeeld: ‘Blijf vooral jezelf’, was het devies.

discrepantie = verschil, tegenstrijdigheid
Voorbeeld: Er is sprake van grote discrepantie tussen de beoogde winst en het uiteindelijke resultaat.

discutabel = bedenkelijk, twijfelachtig
Voorbeeld: Er nog langer mee door gaan is discutabel vanwege alle tegenslagen.

dogmatisch = eigenzinnig, onbuigzaam
Voorbeeld: Zij stellen zich erg dogmatisch op.

dominant = overheersend
Voorbeeld: Ik stoor me aan jouw dominante gedrag.


E
electoraat = het kiezersvolk
Voorbeeld: Het electoraat stemde massaal tegen.

elite = bovenlaag; kleine groep van vooraanstaande, bevoorrechte mensen
Voorbeeld: Zulke feesten zijn alleen voor de elite weggelegd.

eminent = uitmuntend
Voorbeeld: Het gezelschap bestond uit eminente studenten.

erudiet = belezen, uitgebreide kennis en smaak bezittend
Voorbeeld: Hij werd alom gezien als een erudiet persoon.

euforisch = extreem blij
Voorbeeld: Na de eerste resultaten overheerste een euforisch gevoel.

evident = duidelijk
Voorbeeld: Er zijn evidente fouten gemaakt tijdens de behandeling.

excessief = buitensporig; dat alle grenzen overschrijdt en daardoor onaanvaardbaar wordt.
Voorbeeld: De overvallers gebruikten excessief geweld.

exorbitant = buitensporig, excessief
Voorbeeld: Hij verdiende daarmee exorbitant bedragen.

expanderen = zich uitbreiden
Voorbeeld: De sportschoolketen expandeert nu ook naar België.

explicatie = uitleg
Voorbeeld: Haar explicatie was warrig en zat vol tegenstrijdigheden.


F
façade = valse schijn; houding waarmee je iets wilt verbergen
Voorbeeld: Het zogenaamde briljante plan was één grote façade.

federatie = bond, verbond
Een federatie van 5 staten.

fenomenaal = buitengewoon, fabelachtig
Voorbeeld: Een femonenale prestatie van het hele team.

floreren = bloeien, goed presteren
Voorbeeld: Sinds die nieuwe eigenaar floreert de zaak als nooit tevoren.

florissant = gunstig, bloeiend
Voorbeeld: Het bedrijf staat er florissant bij.

frêle = broos, tenger
Voorbeeld: Een frêle meisje

frictie= wrijving, klein meningsverschil
Voorbeeld: Er was al langere tijd sprake van wat onderlinge frictie.

funest = fataal, noodlottig
Voorbeeld: Die onverantwoorde investering was funest voor de onderneming.


G
gedegen = degelijk, van goede kwaliteit
Voorbeeld: Ze had zich gedegen voorbereid.

gedijen = voorspoedig groeien
Voorbeeld: Lavendel gedijt het best in volle zon.

gemêleerd = gemengd
Voorbeeld: Het viel niet mee te spreken voor zo’n gemêleerd publiek.

geslepen = doortrapt
Voorbeeld: Pas op voor zijn geslepen trucjes.

gestand doen = nakomen (van afspraak)
Voorbeeld: Ik zal er alles aan doen mijn belofte gestand te doen.

grillig = wispelturig, onberekenbaar
Voorbeeld: Hij vertoont de laatste tijd nogal grillig gedrag.

groggy = niet helder van geest, dronken, onvast op de benen
Voorbeeld: Nog groggy van de uppercut wankelde de bokser naar zijn hoek.

gros = merendeel
Voorbeeld: Het gros van de mensen denkt dat ze hun gedachten zijn.


H
heterogeen = gemengd, ongelijksoortig
Voorbeeld: Een heterogene samenstelling van de bevolking.

heugen = herinneren
Voorbeeld: Zolang ik me kan heugen woont zij in die flat.

holistisch = alomvattend, kijkend naar het geheel
Voorbeeld: Sommige mensen kiezen voor een holistische benadering van ziektes.

hypocriet = iemand die zich beter voordoet dan dat ie is
Voorbeeld: Een hypocriet persoon is gewoon fake, nep.

hypothese = veronderstelling, idee waarvan nog moet worden bewezen dat het juist is.
Voorbeeld: Er zijn nog vele experimenten nodig om de hypothese te bewijzen.


I
ideologie = stelsel van gedachten en ideeën
Voorbeeld: Hij trekt steeds meer naar extreme ideologieën.

impasse = patstelling, moeilijk punt waar je niet uit kunt komen
Voorbeeld: Doordat we allebei geen water bij de wijn wilden doen, raakten ons overleg in een impasse.

implementeren = invoeren, toepassen
Voorbeeld: Een plan om toepassingen en verbeteringen te implementeren in het proces.

indertijd = toen, in die periode
Voorbeeld: Indertijd stond daar nog een molen.

indoctrinatie = hersenspoeling, inprenting van ideologieën
Voorbeeld: Jarenlang is hij blootgesteld aan de indoctrinatie van de sekteleider.

inkleden = op een bepaalde manier brengen
Voorbeeld: Zij wist het zo in te kleden dat het leek of haar geen blaam trof.

initiatie = inhuldiging
Voorbeeld: Na de initiatie was de jonge man volwaardig lid van de gemeenschap.

insinueren = iemand beschuldigen zonder het openlijk uit te spreken
Voorbeeld: Zij insinueerde dat ik het gedaan had om er zelf beter van te worden.

intrinsiek = innerlijk, wezenlijk
Voorbeeld: Intrinsieke motivatie is motivatie die uit jezelf komt.

introvert = in jezelf gekeerd
Voorbeeld: John is nogal introvert en zal niet snel zijn stem verheffen.


K
koddig = lachwekkend, vermakelijk
Voorbeeld: Het zag er allemaal erg koddig uit.


L
laconiek = onverschillig, doodkalm
Voorbeeld: Hij reageerde laconiek op de slechte cijfers.

lacune = gemis, iets dat ontbreekt
Voorbeeld: Er zit op dat punt een lacune in de regelgeving.

lankmoedig = verdraagzaam
Voorbeeld: Het is bijzonder te zien hoe lankmoedig hij reageert op al het onrecht.

latent = als iets er is, maar niet meteen merkbaar
Voorbeeld: De ziekte was al langer latent aanwezig.

legio = talloos
Voorbeeld: Ik kan je legio voorbeelden daarvan geven.

legitiem = gegrond, rechtvaardig
Voorbeeld: Dat is nog altijd geen legitiem bewijs.

lukraak = zonder nadenken
Voorbeeld: Hij floepte het er lukraak uit.

lustrum = periode van 5 jaar dat iets bestaat
Voorbeeld: Dit jaar viert onze vereniging haar 2e lustrum.


M
macaber = luguber, huiveringwekkend
De veroordeelde man bleek macabere gewoontes te hebben.

manifest = 1) heel erg duidelijk; 2) openbare tekst met een duidelijk standpunt
Voorbeeld 1: Zijn standpunt is manifest.
Voorbeeld 2: Het manifest werd ondertekend door alle betrokkenen.

matineus = gewend vroeg op te staan
Voorbeeld: Zij is niet echt een matineus mens.

melancholie = droefgeestigheid, zwaarmoedigheid
Voorbeeld: In een melancholische stemming keek hij terug naar die periode.

melodramatisch = sentimenteel
Voorbeeld: De melodramatische film kreeg zelfs mijn zus aan het snotteren.

mogendheid = land dat zichzelf bestuurt en een dominante positie inneemt.
Voorbeeld: Nederland was tijdens het koloniale tijdperk een belangrijke mogendheid.

mondialisering = globalisering
Voorbeeld: Wereldwijd handelen gaat steeds makkelijker door de mondialisering.

murmelen = onverstaanbaar praten
Voorbeeld: Zijn gemurmel kon ik echt niet verstaan.


N
Namasté = Hindoeïstische groet
Voorbeeld: Hindoes groeten de goden en elkaar met deze groet.

nepotisme = bevoordelen van familie
Voorbeeld: De leider maakte zich met de schenkingen schuldig aan nepotisme.

nivellering = (het) gelijkmaken, verkleinen van verschillen
Voorbeeld: De helft van de bevolking wil nivellering van de inkomens via belastingen.

nostalgie = heimwee naar een geromantiseerd vroeger
Voorbeeld: Steeds als ik daar kom bekruipt mij een gevoel van nostalgie.

notificatie = kennisgeving, melding
Voorbeeld: Met deze knop zet je al je notificaties uit op je telefoon.


O
onverschrokken = niet bang
Voorbeeld: Ondanks de bedreigingen ging hij onverschrokken door met campagne voeren.

onberispelijk = foutloos, keurig
Voorbeeld: Ze ging zoals altijd onberispelijk gekleed.

ongenaakbaar = afstandelijk; onverslaanbaar; ontoegankelijk
Voorbeeld: Pieter van den Hoogenband was jarenlang ongenaakbaar tijdens de Europese kampioenschappen zwemmen.

ontberen = missen van wat je heel hard nodig hebt
Voorbeeld: Hij heeft altijd steun van zijn ouders moeten ontberen.

optornen = er met moeite tegenin gaan
Voorbeeld: Tegen zulke overmacht kon zij niet optornen.

orakel = iemand die geraadpleegd kan worden voor voorspellingen
Voorbeeld: Het Orakel van Delphi was het drukst bezochte en meest gerespecteerde van de gehele oudheid.


P
paljas = clownsfiguur, dwaas
Voorbeeld: Het is een echte paljas, met z’n knotsgekke grappen en grollen.

penitentiair = op bestraffing betrekkend hebben
Hij moest naar de penitentiaire inrichting.

periferie = buitenkant, buitenrand
Voorbeeld: Het verkeer aan de periferie van de stad liep helemaal vast.

pompeus = hoogdravend, overdadig, overdreven
Voorbeeld: Het huis was nogal pompeus ingericht.

postscriptum = toevoegsel aan een brief, naschrift
Voorbeeld: PS onder aan een brief staat voor postscriptum.

proactief = niet reagerend, maar anticiperend; vooruitdenken
Voorbeeld: Door proactief te handelen is erger voorkomen.

prolongatie = verlenging
Voorbeeld: De prolongatie van mijn verzekering laat ik afhangen van de kosten.

protegé = beschermeling
Voorbeeld: Hij startte zijn carrière als protegé van de minister.

puriteins = zich houdend aan strenge zedelijke normen
Voorbeeld: Ik ben niet zo puriteins opgevoed dat ik nog steeds geen alcohol mocht toen ik op mezelf ging wonen.

privatisering = afstoten van overheidstaken naar de marktsector
Voorbeeld: De privatisering van de zorg heeft grote gevolgen voor de kwaliteit gehad.


R
recalcitrant = ongehoorzaam, koppig
Voorbeeld: De puber luistert niet en vertoont recalcitrant gedrag.

recapituleren = kort samenvatten
Voorbeeld: Kun je dat even recapituleren?

reikhalzend = hunkerend
Voorbeeld: Daar kijk ik reikhalzend naar uit!

reprimande = berisping
Voorbeeld: Ze kwam er vanaf met slechts een reprimande.

retrospectief = terugblikkend (naar het verleden)
Voorbeeld: Een retrospectief onderzoek instellen.


S
saneren = gezond maken
Voorbeeld: Ik ga volgende week naar de tandarts om mijn hele gebit te laten saneren.

scrupules = gewetensbezwaren
Voorbeeld: Schijnbaar zonder scrupules nam hij de steekpenningen aan.

spectrum = verscheidenheid
Voorbeeld: Die bouwmarkt heeft een breed heel spectrum aan gereedschap.

stagnatie = het stoppen van groei
Voorbeeld: Er lijkt eindelijk sprake van stagnatie op de woningmarkt.

stampij = drukte, ophef
Voorbeeld: Typisch Joshua om over zo’n kleinigheid enorme stampij te maken.

stoïcijns = onverstoorbaar, gelaten
Voorbeeld: Hij reageerde stoïcijns op zijn ontslag.

substituut = vervangingsmiddel
Voorbeeld: meer gaan eten als substituut voor het roken.

sub rosa = in het geheim, in vertrouwen
Voorbeeld: Zij vertelde mij sub rosa wat was besproken.

suppressie = onderdrukking, afschaffing
Voorbeeld: Suppressie van de symptomen.

symposium = congres, conferentie
Voorbeeld: Op het symposium waren veel bekende sprekers.


T
tergen = iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren
Voorbeeld: Ze tergden de hond net zo lang totdat deze begon te grommen.

tirade = felle woordenstroom
Voorbeeld: Hij hield een tirade over het gebrek aan inzet op de werkvloer.

triviaal = gewoon, onbeduidend
Voorbeeld: Ik wens mij niet bezig te houden met triviale zaken.


V
verguizen = afkraken, beschimpen
Voorbeeld: Het past niet om hen te verguizen terwijl je zelf ook fout zat.

verloochenen = verraden, afvallen
Voorbeeld: Hij verloochent zijn afkomst nooit.

vigilant = waakzaam, alert
Voorbeeld: Een vigilante houding.


W
wederhoor = het horen / luisteren naar de tegenpartij
Voorbeeld: Er werd een besluit genomen zonder wederhoor van de beschuldigde.


X
xenofiel = welgezind jegens vreemdelingen
Voorbeeld: Hij is een xenofiel persoon.

error: Content is protected !!