Moeilijke woorden met betekenis

moeilijke woorden met betekenis

Binnen de Nederlandse taal kun je veel woorden op verschillende manieren uitdrukken. Doordat veel woorden dezelfde betekenis hebben, zijn ze willekeurig door elkaar te gebruiken.

Door die veelvoud van woorden en synoniemen kan het voorkomen dat je bepaalde woorden niet kent en aanmerkt als zijnde ‘moeilijke woorden’.

Op deze pagina vind je heel veel (400+) moeilijke woorden, geplaatst op alfabetische volgorde en allen voorzien van betekenis en een voorbeeldzin om ze beter te begrijpen.

Oefenen met moeilijke woorden op je eigen niveau? Ga dan naar de pagina Woordenschat vergroten >>


Moeilijke woordenlijst + betekenis

A
aalmoes = kleine gift aan een arm persoon
Voorbeeld: Onderweg naar de stad zat iemand op de grond die vroeg om een aalmoes.

aandoening = een kwaaltje of ziekte waar je last van hebt
Voorbeeld: Het leek of hij een of andere aandoening had want zijn gezicht zag er wat vreemd uit.

aanstelling = benoeming in een functie
Voorbeeld: Ik hoop erg de aanstelling te krijgen.

aanstootgevend = ergernis veroorzakend
Voorbeeld: De groepjes jongeren vertonen al dagen aanstootgevend gedrag.

aanstonds = binnen zeer korte tijd
Voorbeeld: Ik heb aanstonds tijd om u even te woord te staan.

aantijging = beschuldiging
Voorbeeld: Na de zoveelste aantijging hield hij de eer aan zichzelf en vertrok.

aanvankelijk = in het begin
Voorbeeld: Aanvankelijk kon het me niet zo veel schelen, maar het werd hoe langer hoe vervelender.

abominabel = bijzonder slecht
Voorbeeld: De resultaten waren ronduit abominabel.

abrupt = plotseling, ineens
Voorbeeld: Onderweg naar huis moest ik abrupt remmen om niet tegen een auto te botsen.

abuis = fout, vergissing
Voorbeeld: Nee hoor, dat klopt niet. U bent abuis.

achtereenvolgens = achter elkaar
Voorbeeld: Daarna deed ze achtereenvolgens drie docenten werkelijk perfect na!

accorderen = overeenkomen, overeenstemmen
Voorbeeld: De declaratie werd geaccordeerd.

acquisitie = klanten werven
Voorbeeld: Het ongevraagd opbellen om iets te verkopen is een vorm van acquisitie.

adhesie = steun
Voorbeeld: Je adhesie betuigen aan een actie.

afasie = het onvermogen te spreken
Voorbeeld: Afasie is een taalstoornis, waarbij iemand niet meer kan zeggen wat ie wil.

affectatie = een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid in overeenstemming is
Voorbeeld: Die uitspraak is vrij van affectatie.

affiniteit = natuurlijke interesse, aantrekkingskracht
Voorbeeld: Zij heeft altijd al affiniteit met taal gehad.

afgepeigerd = afgemat, erg moe
Voorbeeld: Afgepeigerd plofte hij op de bank.

afgezant = afgevaardigd persoon
Voorbeeld: Een afgezant van de regering bezocht het getroffen gebied.

afkeer = afschuw
Voorbeeld: Met afkeer hoorde ik steeds weer zijn getreiter aan.

afraffelen = iets snel doen waardoor het niet goed gebeurt
Voorbeeld: Hij was ook bang dat ik mijn huiswerk een beetje afraffel om maar zo snel mogelijk weer op mijn telefoon te kunnen.

ageren = handelend optreden
Voorbeeld: De bewoners ageerden tegen de plannen van de gemeente.

akkefietje = een storend voorval, een ruzietje
Voorbeeld: Na dat ene akkefietje hebben we nooit meer problemen met elkaar gehad.

alias = ook wel genaamd
Voorbeeld: Willem Holleeder, alias de Neus stond terecht voor een aantal misdrijven.

alibi = excuus; bewijs dat je niet bij een misdaad aanwezig was
Voorbeeld: Hij had een waterdicht alibi.

allicht = vanzelfsprekend, op z’n minst
Voorbeeld: En allicht had ik daar wel interesse in…

althans = tenminste
Voorbeeld: Althans, ik vond het eigenaardig.

alternatief = iets anders, een andere optie
Voorbeeld: Het was een mooi alternatief voor de saaie sommetjes die we anders hadden moeten doen.

ambigu = voor meerdere uitleg vatbaar, dubbelzinnig
Voorbeeld: ‘Ik zie je wel’. Deze zin is ambigu; het betekent ‘ik kan je wel zien’, maar kan ook betekenen ‘ik zie je later wel verschijnen’.

amicaal = vriendschappelijk
Voorbeeld: De docent gaat erg amicaal om met al zijn leerlingen.

amusant = grappig, vermakelijk
Voorbeeld: Ze weet het ook altijd op zo’n amusante manier te vertellen.

amuse = klein hapje vooraf
Voorbeeld: We zaten net toen de ober al een amuse bracht.

amnestie = kwijtschelding van straf
Voorbeeld: Er werd amnestie verleend aan de gevangene.

anamnese = verslag van een patiënt over de voorgeschiedenis van zijn ziekte
Voorbeeld: De behandeld arts voerde anamnese uit om een zo volledig mogelijk beeld van de klachten van de patiënt te vormen.

anekdote = grappig verhaaltje
Voorbeeld: Iedereen moest lachen om de anekdote over haar grote zus die altijd maar voor de spiegel staat.

annexeren = beslag leggen op een gebied
Voorbeeld: Alle weilanden zijn inmiddels geïndexeerd door de gemeente.

antecedent = woord waarnaar verwezen wordt
Voorbeeld: Ik sprak Ollie zojuist en zie haar morgen weer. ‘Ollie’ is in deze zin het antecedent.

archipel = eilandengroep
Voorbeeld: Indonesië bestaat uit een archipel.

articuleren = duidelijk uitspreken
Voorbeeld: Vervolgens verstond de ober mij niet goed en vroeg me beter te articuleren.

associatie = koppeling, verbinden van de ene gedachte met de andere
Voorbeeld: Dat bracht negatieve associaties van vroeger met zich mee.

audiëntie = officieel bezoek bij een hoog geplaatst persoon
Voorbeeld: We mochten op audiëntie bij Maxima.

auspiciën = bescherming, supervisie
Voorbeeld: Een ieder werkt onder auspiciën van het afdelingshoofd.

authentiek = echt, origineel
Voorbeeld: Het was niet zomaar een pizzeria maar een authentiek Italiaans restaurant.


B
bagatelliseren= als onbelangrijk voorstellen
Voorbeeld: Hij bagatelliseerde de feiten in mijn betoog.

baldadig = ondeugend, druk
Voorbeeld: Gerhard was in een baldadige bui en maakte een grapje over de man.

baliekluiver =nietsnut
Voorbeeld: De baliekluiver zat zoals gewoonlijk weer uit zijn neus te eten.

basaal = fundamenteel, aan de basis liggend
Voorbeeld: Dat behoort tot de basale kennis.

bassesse = laagheid, sluwheid
Voorbeeld: De hele actie was één grote daad van bassesse.

beamen = bevestigen, zeggen dat je het ermee eens bent
Voorbeeld: Zelfs de juf beaamde dat het heel goed nagespeeld was.

bedacht zijn op = voorbereid zijn op, rekening houden met
Voorbeeld: Je moet online altijd bedacht zijn op mensen die niet de waarheid zeggen.

beduimelen = bevlekken door aanraking met vuile vingers
Voorbeeld: Hij beduimelde het schilderij met zijn vieze handen.

behendig = handig
Voorbeeld: Daarna stuurde ik mijn fiets behendig tussen de stoep en de auto door.

begaafd = talentvol
Voorbeeld: Ze is werkelijk een begaafd actrice!

begerig = belust op, verlekkerd
Voorbeeld: Ze keek hem begerig na.

behartigen = goed zorgen voor
Voorbeeld: Deze advocaat behartigt al jaren mijn zaak.

behelzen = inhouden, bevatten
Voorbeeld: De nieuwe overeenkomst behelst niet alleen maar positieve punten.

behept = in het bezit zijn van, lijden aan
Voorbeeld: Hij is behept met allerlei vreemde kwaaltjes.

behoeden = beschermen
Voorbeeld: Mijn snelle handelen behoedde me voor een botsing.

behoedzaam = voorzichtig
Want op internet moet je altijd behoedzaam met je gegevens (je naam, emailadres en zo) omgaan.

bejegenen = behandelen
Voorbeeld: Ik voelde me onjuist bejegend.

beklijven = voortduren, blijven bestaan
Voorbeeld: Positieve gevoelens beklijven vaak minder dan negatieve.

belabberd = beroerd, slecht
Voorbeeld: Vanmorgen voelde ik me nog belabberd, maar dat was nu helemaal weg.

belagen = in het nauw brengen / lastig vallen
Voorbeeld: Na de persconferentie werd de minister belaagd door journalisten.

belemmeren = verhinderen
Voorbeeld: Het was echter de luide muziek die hem belemmerde mijn duidelijk uitgesproken woord PIZZA te horen.

bemachtigen = met veel moeite te pakken krijgen
Voorbeeld: Ik heb de tickets weten te bemachtigen.

bemoeilijken = moeilijk(er) maken
Voorbeeld: Het gebrek aan vrijwilligers bemoeilijkt de geplande hulpactie.

berisping = standje
Voorbeeld: De docent gaf me vanmorgen een berisping omdat ik stiekem op mijn telefoon zat.

desastreus = rampzalig
Voorbeeld: Dat was een onderneming met desastreuze afloop.

beschamen = teleurstellen / de verwachting niet waarmaken
Voorbeeld: Hij heeft wederom mijn vertrouwen beschaamd.

bevooroordeeld = vooringenomen, met een mening die van tevoren al vaststaat
Voorbeeld: Ze begonnen al bevooroordeeld aan de het onderzoek.

bevredigend = voldoening gevend
Voorbeeld: Hij kwam met een bevredigend antwoord.

biënnium = periode van 2 jaar
Voorbeeld: Het budget voor het komende biënnium was erg ruim.

bijtijds = op tijd, voordat het te laat is
Voorbeeld: En gelukkig was ik nu dus bijtijds klaar met leren.

bilateraal = tweezijdig
Voorbeeld: De beide landen respecteren al jaren de bilaterale afspraken.

blindelings = zonder te kijken of na te denken, klakkeloos
Voorbeeld: Hij nam dat blindelings van hem aan.

bonafide = betrouwbaar
Voorbeeld: Wij kochten de auto bij een bonafide autohandelaar.

bravoure = lef, dapperheid
Voorbeeld: Met bravoure maakte ik uiteindelijk de pestkop duidelijk dat het nu genoeg was.

bronstig = loops
Voorbeeld: Het bronstige teefje was niet meer te houden.

brunch = een combinatie van een laat ontbijt en een vroege lunch
Voorbeeld: We hadden laatst een brunch bij de Italiaan.


Liever leren met lessen en oefeningen? Check woordenschat vergroten en leer op je eigen niveau >>


C
calamiteit = grote ramp
Voorbeeld: Er ligt een plan hoe te handelen bij calamiteiten.

capitulatie = overgave
Voorbeeld: Na de capitulatie was de oorlog voorbij.

charismatisch  = met veel charisma / uitstraling, inspirerend
Voorbeeld: Hij is een charismatisch man die altijd veel mensen meekrijgt.

catastrofe = ramp
Voorbeeld: Nou zou dat inderdaad een catastrofe zijn, alleen al voor al mijn Snapdagen…

catechisatie = godsdienstonderwijs
Voorbeeld: Zij gaat iedere zaterdag naar catechisatie.

chargeren = overdrijven
Voorbeeld: Nu chargeer je.

cineast = filmmaker
Voorbeeld: De cineast had reeds vele prijzen ontvangen.

citaat = stukje tekst van iemand anders
Voorbeeld: Laat me beginnen met een citaat van Obama: “We may not be able to stop evil in the world, but how we treat one another is entirely up to us.”

clementie = genade, welwillendheid
Voorbeeld: Hij toonde clementie jegens zijn opponent.

clownesk = als een clown
Voorbeeld: Hij trok de aandacht met zijn clowneske gedrag.

committeren = opdracht geven, binden
Voorbeeld: Zijn committeerden zich aan het genomen besluit.

commotie = opschudding; men is opgewonden over iets
Voorbeeld: Er was veel commotie over die reclame met die naakte vrouw.

competentie = deskundigheid
Voorbeeld: Competenties zijn vaardigheden of kwaliteiten die je kunt ontwikkelen.

compilatie = verzameling, verzamelwerk
Voorbeeld: Het is jammer dat niemand het gefilmd heeft, anders hadden we een mooie compilatie van haar typetjes kunnen maken.

compulsief = dwangmatig
Voorbeeld: Dat hij iedere keer het schilderij recht moet hangen is een vorm van compulsief gedrag.

concern = grote onderneming met veel vestigingen
Voorbeeld: Shell is een concern met vestigingen overal in de wereld.

concubinaat = het samenleven van een man en een vrouw zonder huwelijk
Voorbeeld: Zij leefden reeds vele jaren in concubinaat.

concretiseren = iets concreet maken, vast vorm geven
Voorbeeld: Kun je dat verhaal concretiseren voor mij?

congruent = overeenstemmend
Voorbeeld: Hij vertoont congruent gedrag, hij reageert namelijk precies zoals hij zich voelt van binnen.

conform = volgens
Voorbeeld: Ik heb altijd gehandeld conform de regelementen.

conjunctuur = economische golfbeweging
Voorbeeld: De schommelingen in de economische groei op korte termijn noem je conjunctuur.

connotatie = gevoelswaarde, ondertoon
Voorbeeld: Zijn lezing had een negatieve connotatie.

consequent = volgens een vast plan, op dezelfde manier als eerder / consistent
Voorbeeld: Hij zegt a en doet b, niet echt consequent gedrag.

consolideren = verstevigen, duurzaam maken
Voorbeeld: Het bedrijf winst zijn marktpositie dit jaar wederom te consolideren.

contesteren= bestrijden, betwisten
Voorbeeld: De actiegroep bleef het onrecht contesteren.

continu = aan een stuk door
Voorbeeld: Als ik niet slaap of eet zit ik er eigenlijk continu op.

controverse = geschil, heftig meningsverschil
Voorbeeld: Er ontstond een controverse waarbij we lijnrecht tegenover elkaar kwamen te staan.

controversieel = omstreden, waarover grote meningsverschillen bestaan
Voorbeeld: Het betreft een zeer controversiële aangelegenheid.

coöperatief = medewerkend
Voorbeeld: Hij stelt zich immer coöperatief op.

correlatie = onderliggend verband
Voorbeeld: Er is geen correlatie gevonden tussen de beide zaken.

criterium = datgene waarop je je beoordeling baseert, norm
Voorbeeld: Dit zijn de criteria waaraan je moet voldoen bij de toets.


D
deballoteren = afwijzen bij stemming
Voorbeeld: Hij werd gedeballoteerd tijdens de vergadering.

declameren = voordragen
Voorbeeld: Zij declameert het stuk met gevoel en humor.

delicaat = gevoelig, waar je voorzichtig mee moet zijn
Voorbeeld: Dit is een delicate kwestie.

demaskeren = ontmaskeren, iemands ware aard laten zien
Voorbeeld: Eindelijk lukte het hem de man te demaskeren als de dader.

deprimerend = iets dat je somber maakt
Voorbeeld: De slechte cijfers werkten ook alleen maar deprimerend.

derving = verlies, gemis
Voorbeeld: Door diefstaf is er een aanzienlijke omzetderving.

determinant = bepalende factor
Voorbeeld: Slechte voeding is determinant bij het krijgen van overgewicht.

detoxen = ontslakken, reinigen
Voorbeeld: Het is goed zo nu en dan te detoxen om het lichaam te ontdoen van afvalstoffen.

dichotoom = met 2 mogelijkheden
Voorbeeld: Je kunt met ja of met nee antwoorden op deze dichotome vraag.

dimensie = aspect; ook: afmeting (als in driedimensionaal)
Voorbeeld: Een nieuwe dimensie aan iets toevoegen.

discrepantie = verschil, tegenstrijdigheid
Voorbeeld: Er is sprake van grote discrepantie tussen de beoogde winst en het uiteindelijke resultaat.

discutabel = bedenkelijk, twijfelachtig
Voorbeeld: Er nog langer mee door gaan is discutabel vanwege alle tegenslagen.

dissertatie = proefschrift
Voorbeeld: De student schreef een uitmuntend dissertatie.

dogmatisch = eigenzinnig, onbuigzaam
Voorbeeld: Zij stellen zich erg dogmatisch op.

domesticatie = het temmen van wilde dieren tot huisdieren
Voorbeeld: Het proces van domesticatie kan soms jaren duren.

dominant = overheersend
Voorbeeld: Ik stoor me aan jouw dominante gedrag.

doneren = schenken
Voorbeeld: Aangezien ik geen geld had besloot ik de hele inhoud van mijn broodtrommel aan hem te doneren.

doorgaans = meestal, gewoonlijk
Voorbeeld: Doorgaans maak ik nooit wat bijzonders mee, maar gisteren was anders.

dotatie = schenking, donatie
Voorbeeld: Een eenmalige dotatie aan dit goede doel.

draconisch = zeer streng
Voorbeeld: Er heerste een draconisch beleid.

drempelvrees: aarzeling, angst om ergens naar binnen te gaan of iets te ondernemen
Voorbeeld: Na mijn aanvankelijke drempelvrees ben ik er vol voor gegaan.

drogreden = schijnreden, kromme redenering
Voorbeeld: De lezing van de politicus zat vol drogredenen om maar niet de verantwoordelijkheid te hoeven nemen.

dubieus = omstreden , waarschijnlijk niet goed, twijfelachtig
Voorbeeld: Ik ben blij dat ik uiteindelijk niet ben ingegaan op deze dubieuze advertentie.

duperen = benadelen
Voorbeeld: Als dat doorgaat, dan dupeert dat alle betrokkenen.


E
eerbetoon = betuiging van eer, handeling om waardering te tonen
Voorbeeld: Het applaus was bedoeld als eerbetoon aan alle slachtoffers.

empathie = inlevingsvermogen
Voorbeeld: Ik voelde empathie voor hem en wilde iets doen om hem te helpen.

empirisch = berustend op ervaring of waarneming
Voorbeeld: Er konden duidelijke conclusies worden getrokken uit het empirische onderzoek.

enerverend = spannend
Voorbeeld: Het was wel even enerverend toen de uitslag bekend gemaakt werd.

electoraat = het kiezersvolk
Voorbeeld: Het electoraat stemde massaal tegen.

eminent = uitmuntend
Voorbeeld: Het gezelschap bestond uit eminente studenten.

enigma = raadsel
Voorbeeld: De enigma’s van zijn mysterieuze leven.

en plein public = openlijk, zodat iedereen het kan zien / horen
Voorbeeld: Ze draaide zich naar me toe en kuste me en plein public.

epiloog = slotwoord
Voorbeeld: In de epiloog refereerde de schrijver er nog aan.

epoque = tijdstip, tijdvak
Voorbeeld: Dit stuk behoort tot de meest invloedrijke uit zijn epoque.

erkentelijk = dankbaar
Voorbeeld: Hij stelde dat erg op prijs en zei me zeer erkentelijk te zijn voor deze lieve daad.

escaleren = erger of ernstiger worden
Voorbeeld: De onenigheden escaleerden tot hevige gevechten.

esthetiek = kunstgevoel, schoonheidsleer
Voorbeeld: Kunnen we stellen dat plastische chirurgie valt onder esthetiek?

ethisch = moreel, wat met goed en kwaad te maken heeft
Voorbeeld: De vraag is of dat ethisch verantwoord is…

erudiet = belezen, uitgebreide kennis en smaak bezittend
Voorbeeld: Hij werd alom gezien als een erudiet persoon.

euforisch = extreem blij
Voorbeeld: Na de eerste resultaten overheerste een euforisch gevoel.

evenmin = ook niet
Voorbeeld: Toen het gebeurde moest ik absoluut niet lachen en mijn moeder evenmin.

evident = duidelijk
Voorbeeld: Er zijn evidente fouten gemaakt tijdens de behandeling.

excessief = buitensporig; dat alle grenzen overschrijdt en daardoor onaanvaardbaar wordt.
Voorbeeld: De overvallers gebruikten excessief geweld.

exorbitant = buitensporig, excessief
Voorbeeld: Hij verdiende daarmee exorbitant bedragen.

expertise = kennis en deskundigheid op een bepaald gebied
Voorbeeld: Met ons als partner haal je expertise in huis.

explicatie = uitleg
Voorbeeld: Haar explicatie was warrig en zat vol tegenstrijdigheden.


F
façade = valse schijn; houding waarmee je iets wilt verbergen
Voorbeeld: Het zogenaamde briljante plan was één grote façade.

faliekant = compleet / volledig
Voorbeeld: Ze was faliekant tegen de verandering.

fataal = noodlottig, met een zeer ernstige afloop
Voorbeeld: Een vliegtuigongeluk gebeurt slecht zelden, maar als het gebeurt, is het meestal met fatale afloop.

federatie = bond, verbond
Voorbeeld: Een federatie van 5 staten.

feilloos = perfect, zonder fouten
Voorbeeld: Ze heeft ondanks haar leeftijd nog altijd een feilloos geheugen.

fenomenaal = buitengewoon, fabelachtig
Voorbeeld: Een femonenale prestatie van het hele team.

ferociteit = wildheid, woestheid
Voorbeeld: De uitbarsting was de zoveelste uiting van zijn ferociteit.

feilloos = perfect, zonder fouten
Voorbeeld: Ze heeft ondanks haar leeftijd nog altijd een feilloos geheugen.

fibromyalgie = pijn in bindweefsel en spieren
Voorbeeld: Hij heeft al jaren last van fibromyalgie.

fictief = niet echt, bedacht
Voorbeeld: Harry Potter is een fictief persoon.

fiduciair = op vertrouwen berustend
Voorbeeld: Het fiduciaire karakter van de afspraken gaven de onderlinge verhoudingen goed weer.

filantroop = weldoener
Voorbeeld: Nu ben ik geen filantroop en bovendien heb ik zelf ook nauwelijks geld.

flamboyant = vurig, hartstochtelijk, vol temperament
Voorbeeld: Hij is een flamboyante persoon die met volle teugen van het leven geniet.

florissant = gunstig, bloeiend
Voorbeeld: Het bedrijf staat er florissant bij.

flux de bouche = welbespraaktheid
Voorbeeld: Hij staat bekend om zijn flux de bouche.

fnuikend = funest, zeer schadelijk
Voorbeeld: Alcohol heeft een fnuikend effect op de gezondheid.

formidabel = briljant
Voorbeeld: Dankzij mijn formidabele stuurkunsten 😉 liep het allemaal met een sisser af.

frequent = vaak, veelvuldig
Voorbeeld: Hij is een frequente bezoeker van onze winkel.

frugaal = sober, matig, karig
Voorbeeld: De opbrengst was ook dit jaar frugaal te noemen.

fulminant = woedend, razend
Voorbeeld: Een fulminante scheldkanonnade volgde.

fundamenteel = essentieel, wezenlijk
Voorbeeld: Dat is een fundamenteel verschil.

funest = fataal, noodlottig
Voorbeeld: Die onverantwoorde investering was funest voor de onderneming.

furieus = woedend
Voorbeeld: Ik reageerde furieus en ik zag dat hij erg schrok.

futiliteit = iets dat onbelangrijk is
Voorbeeld: Zij maakt zich vaak druk om allerlei futiliteiten.

fytofaag = herbivoor, planteneter
Voorbeeld: Geen vlees voor deze fytofaag.


G
gebeuzel = onzinnige praat
Voorbeeld: Er kwam zoals gewoonlijk alleen maar gebeuzel uit zijn mond.

gecompliceerd = complex, ingewikkeld
Voorbeeld: De professor boog zich over het gecompliceerde vraagstuk.

geenszins = absoluut niet
Voorbeeld: Het ging best oké, maar zo’n hoog cijfer had ik geenszins verwacht.

geestig = grappig
Voorbeeld: Het was eigenlijk wel geestig.

geëquilibreerd = in evenwicht
Voorbeeld: In de toespraak waren humor en ernst perfect geëquilibreerd.

gelaten = berustend
Voorbeeld: Gelaten hoorde de verdachte het vonnis aan.

geleidelijk = langzamerhand
Voorbeeld: Gedurende de ochtend voelde ik me geleidelijk steeds beter.

gemêleerd = gemengd
Voorbeeld: Het viel niet mee te spreken voor zo’n gemêleerd publiek.

gênant = pijnlijk, als iets zorgt dat je je ongemakkelijk voelt
Voorbeeld: Maar op het moment zelf vond ik het nogal gênant.

genocide = volkenmoord
Voorbeeld: De genocide in Rwanda kostte naar schatting bijna 1 miljoen Tutsi’s het leven.

gepikeerd = als je je beledigd voelt
Voorbeeld: Ze reageerde gepikeerd op zijn vervelende vragen.

geroezemoes = geluid van stemmen / praten
Voorbeeld: De leraar stoorde zich wel een beetje aan ons geroezemoes.

glimp = wat je in een korte flits ziet
Voorbeeld: Ik kon nog net een glimp van de minister opvangen.

globalisering = proces van wereldwijd worden, mondialisering
Voorbeeld: De globalisering maakt het verspreiden van virussen steeds makkelijker.

gremium = adviescollege
Voorbeeld: Jan Marijnissen sprak vaak op diverse gremia.

groggy = niet helder van geest, dronken, onvast op de benen
Voorbeeld: Nog groggy van de uppercut wankelde de bokser naar zijn hoek.

grondig = door en door, nauwkeurig
Voorbeeld: Ik had de toets deze keer grondig voorbereid.

grootscheeps = groots, grootschalig
Voorbeeld: Hij besloot grootscheepse veranderingen door te voeren.

grosso modo = ruw geschat
Voorbeeld: Het gaat grosso modo om 1 miljoen inwoners.


H
harmonieus = als mensen of dingen goed samen passen
Voorbeeld: Het is fijn dat we deze moeilijke zaken in een harmonieuze sfeer kunnen bespreken.

hectiek = drukte waar je een beetje een opgejaagd gevoel van krijgt.
Voorbeeld: De hectiek van het werk en de tijdsdruk bevallen mij juist.

hectisch = chaotisch
Voorbeeld: Het was erg hectisch bij de bediening waardoor we wel een half uur moesten wachten om te bestellen.

hegemonie = alleenheerschappij, overwicht
Voorbeeld: De hegemonie van de Nederlandse kickboksers gaf ons landje aanzien in de vechtsportwereld.

hermetisch = volledig dicht, luchtdicht
Voorbeeld: De ruimte is hermetisch afgesloten.

heterogeen = gemengd, ongelijksoortig
Voorbeeld: Een heterogene samenstelling van de bevolking.

hiërarchie = rangorde
Voorbeeld: Hij staat bovenaan in de hiërarchie.

hilarisch = super grappig
Voorbeeld: Vooral hoe ze meester Evert nadeed was hilarisch.

hinderlijk = lastig en vervelend
Voorbeeld: De moeder stoort zich aan het hinderlijke gedrag van haar zoon.

holistisch = alomvattend, kijkend naar het geheel
Voorbeeld: Sommige mensen kiezen voor een holistische benadering van ziektes.

hospiteren = als gast bijwonen
Voorbeeld: Het internet staat vol met tips voor als je gaat hospiteren.

humoraal = de lichaamsvochten betreffend
Voorbeeld: Het humorale afweersysteem richt zich op ziekteverwekkers in het lichaamsvocht.

hybris = Oudgrieks woord voor overdreven trots, overmoed
Voorbeeld: De hybris van de president die alles maar dacht op te kunnen lossen.

hypo = te lage bloedsuikerspiegel
Voorbeeld: Door iets zoets tot je te nemen gaat de hypo over.

hypothese = veronderstelling, idee waarvan nog moet worden bewezen dat het juist is.
Voorbeeld: Er zijn nog vele experimenten nodig om de hypothese te bewijzen.


I
identiek = precies hetzelfde
Voorbeeld: Aangezien mijn bestelling identiek was aan die van mijn zus, wees ik maar naar haar.

ideologie = stelsel van gedachten en ideeën
Voorbeeld: Hij trekt steeds meer naar extreme ideologieën.

idiosyncratisch = met een eigen, afwijkend karakter
Voorbeeld: Het idiosyncratische gedrag van de jeugd van tegenwoordig.

illusie = droombeeld, gedachte die te mooi is om waar te zijn
Voorbeeld: Denken dat je controle hebt over je gedachten is een illusie.

immer = altijd
Voorbeeld: Want het is bij mij immer hetzelfde liedje; te laat beginnen met leren waardoor ik het niet goed genoeg ken.

implementeren = invoeren, toepassen
Voorbeeld: Een plan om toepassingen en verbeteringen te implementeren in het proces.

implicatie = gevolg
Voorbeeld: De implicaties zijn niet te overzien.

imponeren = grote indruk maken op iemand
Voorbeeld: Door zijn imponerende acties raakte zijn tegenstander helemaal van de wijs.

improviseren = terplekke bedenken en uitvoeren
Voorbeeld: Doordat er zoveel mensen waren, moest er flink geïmproviseerd worden om iedereen een plaats te geven.

incident = een vervelende gebeurtenis die plotseling plaatsvindt
Voorbeeld: Het incident vond plaats waar mijn moeder bij was.

incrimineren = (van misdaad) beschuldigen
Voorbeeld: Zij incrimineren hetgeen gebeurt is en willen hem vervolgen voor het misdrijf.

indicatie = aanwijzing, aanduiding
Voorbeeld: Om een indicatie van de kosten te geven moeten we weten hoeveel we er nodig hebben.

indoctrinatie = hersenspoeling, inprenting van ideologieën
Voorbeeld: Jarenlang is hij blootgesteld aan de indoctrinatie van de sekteleider.

inferieur = minder waardevol
Voorbeeld: De spullen zijn van inferieure kwaliteit.

ingetogen = rustig en terughoudend
Voorbeeld: Ondanks de commotie wist hij ingetogen te reageren.

inheems = autochtoon, van het eigen land
Voorbeeld: De brandnetel is een inheemse plant.

initiatie = inhuldiging
Voorbeeld: Na de initiatie was de jonge man volwaardig lid van de gemeenschap.

irrationeel = zonder je verstand te gebruiken
Voorbeeld: Veel mensen hebben een irrationeel koopgedrag.

insinueren = beweren, suggereren
Voorbeeld: Hij insinueerde dat ik geen dag zonder dat ding zou overleven.

integreren = ergens deel uit van gaan maken; ook: één worden
Voorbeeld 1: Dat gezin is inmiddels volledig geïntegreerd in de samenleving
Voorbeeld 2: De computersystemen zijn volledig geïntegreerd.

interventie = tussenkomst
Voorbeeld: Buitenlandse interventie was nodig om het conflict niet verder uit de hand te doen lopen.

intrigerend = boeiend; ook: manipulerend
Voorbeeld 1: Het was intrigerend naar de professor te luisteren.
Voorbeeld 2: Zijn intrigerende gedrag leidde tot ruzie onder de werknemers.

introvert = in jezelf gekeerd
Voorbeeld: John is nogal introvert en zal niet snel zijn stem verheffen.

intuïtie = instinct
Voorbeeld: Soms moet je gewoon op je intuïtie afgaan.

inwilligen = honoreren / toestemmen in
Voorbeeld: De eis van de gijzelaars werd uiteindelijk ingewilligd.

ironisch = spottend
Voorbeeld: Hij vroeg het met een ironische ondertoon.


J
jargon = vaktaal
Voorbeeld: Voor niet insiders was het jargon van de spreker niet te volgen.

jobstijding = ongeluksbericht, erg slechte boodschap
Voorbeeld: De vrouw werd overvallen met de jobstijding dat haar man was overleden.

joviaal = hartelijk
Voorbeeld: Ze is een joviale vrouw die altijd voor je klaar staat.


K
kakafonie = veel lelijk geluid (wordt ook gebruikt voor andere zintuigen), herrie
Voorbeeld: Een kakafonie van onsamenhangende kleuren.

kannibaal = mens die een ander mens opeet
Voorbeeld: Diep in het oerwoud zouden hele stammen kannibalen leven.

klaarblijkelijk = kennelijk
Voorbeeld: En nu was ik klaarblijkelijk helemaal opgeknapt.

koddig = lachwekkend, vermakelijk
Voorbeeld: Het zag er allemaal erg koddig uit.

kolder = flauwekul
Voorbeeld: Ik zei hem echter dat hij zijn kolder voor zich moest houden.


L
lasciviteit = wulpsheid
Voorbeeld: De lasciviteit straalde van haar af.

lankmoedig = verdraagzaam
Voorbeeld: Het is bijzonder te zien hoe lankmoedig hij reageert op al het onrecht.

lariekoek = flauwekul, onzin
Voorbeeld: Op internet kom je een hoop lariekoek tegen.

laveloos = stomdronken en tot niets meer in staat
Voorbeeld: De man lag in laveloze toestand op de grond.

legaal = door de wet toegestaan
Voorbeeld: Sommige berichten zijn niet eens legaal.

legitiem = wettig, rechtvaardig
Voorbeeld: Dat is nog altijd geen legitiem bewijs.

linguïstiek = taalkunde
Voorbeeld: Linguïstiek is de wetenschappelijke studie naar talen.

louter = slechts
Voorbeeld: Ze verkochten niet louter pizza’s.

ludiek = bijzonder, speels
Voorbeeld: Door de ludieke actie hebben ze veel nieuwe klanten gekregen.

luguber = huiveringwekkend
Voorbeeld: Met open mond luisterden ze naar het lugubere verhaal.

lukraak = zonder nadenken
Voorbeeld: Hij floepte het er lukraak uit.

lustrum = periode van 5 jaar dat iets bestaat
Voorbeeld: Dit jaar viert onze vereniging haar 2e lustrum.


M
macaber = luguber, huiveringwekkend
Voorbeeld: De veroordeelde man bleek macabere gewoontes te hebben.

magnifiek = heel bijzonder, fantastisch
Voorbeeld: Kortom, het was al met al een magnifiek optreden.

manifest = 1) heel erg duidelijk; 2) openbare tekst met een duidelijk standpunt
Voorbeeld 1: Zijn standpunt is manifest.
Voorbeeld 2: Het manifest werd ondertekend door alle betrokkenen.

marginaal = onbelangrijk, klein, futiel
Voorbeeld: De winst over vorig jaar was marginaal.

matineus = gewend vroeg op te staan
Voorbeeld: Zij is niet echt een matineus mens.

meedogenloos = zonder medelijden, genadeloos
Voorbeeld: Meedogenloos vernederde hij haar en plein public.

melancholie = droefgeestigheid, zwaarmoedigheid
Voorbeeld: In een melancholische stemming keek hij terug naar die periode.

melodramatisch = sentimenteel
Voorbeeld: De melodramatische film kreeg zelfs mijn zus aan het snotteren.

meteorologisch = weerkundig
Voorbeeld: Uit meteorologische rapporten blijkt dat het nog nooit zo koud was.

minuscuul = piepklein
Voorbeeld: Hij schreeuwde het uit, maar bleek maar een minuscuul wondje te hebben.

minutieus = nauwkeurig, haarfijn
Voorbeeld: De hele kamer werd minutieus onderzocht op aanwezigheid van verdovende middelen.

misplaatst = ongepast
Voorbeeld: En dan is het misplaatst als je daar lollig over gaat doen.

mitigeren = minder erg maken, afzwakken
Voorbeeld: De medicijnen mitigeerden de symptomen.

moedwillig = niet per ongeluk, expres
Voorbeeld: Want ik stel het eigenlijk altijd moedwillig uit tot het laatste moment.

mogendheid = land dat zichzelf bestuurt en een dominante positie inneemt.
Voorbeeld: Nederland was tijdens het koloniale tijdperk een belangrijke mogendheid.

mondiaal = wereldwijd
Voorbeeld: De mondiale opwarming van de aarde.

mondialisering = globalisering
Voorbeeld: Wereldwijd handelen gaat steeds makkelijker door de mondialisering.

monogaam = met één partner samenlevend
Voorbeeld: Sommige mensen hebben toch wel moeite om monogaam te blijven.

muggenzifter = mierenneuker
Voorbeeld: Je bent een echte muggenzifter als je gelijk al klaagt over één klein vlekje op je auto.

murmelen = onverstaanbaar praten
Voorbeeld: Zijn gemurmel kon ik echt niet verstaan.

myopie = bijziendheid
Voorbeeld: Bij myopie is een min-bril nodig om scherp te zien.


N
naïef = goedgelovig
Voorbeeld: Dat ik in al zijn leugens trapte was nogal naïef van me.

Namasté = Hindoeïstische groet
Voorbeeld: Hindoes groeten de goden en elkaar met deze groet.

nautisch = scheepvaart of de watersport betreffende
Voorbeeld: Stuurboord en bakboord zijn nautische termen.

navenant = in overeenstemming met iets dat eerder is genoemd
Voorbeeld: De speler speelde dramatisch en de uitslag was navenant.

nepotisme = bevoordelen van familie
Voorbeeld: De leider maakte zich met de schenkingen schuldig aan nepotisme.

ney = muziekinstrument, voorloper van de fluit
Voorbeeld: De ney is de voorloper van de fluit.

nivellering = (het) gelijkmaken, verkleinen van verschillen
Voorbeeld: De helft van de bevolking wil nivellering van de inkomens via belastingen.

nostalgie = heimwee naar een geromantiseerd vroeger
Voorbeeld: Steeds als ik daar kom bekruipt mij een gevoel van nostalgie.

notificatie = kennisgeving, melding
Voorbeeld: Met deze knop zet je al je notificaties uit op je telefoon.


O
obstinaat = tegendraads, eigenzinnig
Voorbeeld: Hij blijft zich obstinaat verzetten tegen de geplande veranderingen.

olijk = grappig en ietwat ondeugend
Voorbeeld: Dat ventje met zijn olijke hoofd.

omineus = een (slecht) voorteken bevattend, onheilspellend
Voorbeeld: Hij sprak op omineuze wijze.

omwille = ten behoeve van, vanwege
Voorbeeld: Hij hield zijn mond omwille van de vrede.

onafgebroken = aan één stuk door
Voorbeeld: Ollie en ik zaten onafgebroken te giebelen tijdens de les.

onderkennen = opmerken en het belang inzien
Voorbeeld: Het is eerst nodig het probleem te onderkennen, om daarna aan een oplossing te werken.

onbaatzuchtig = belangeloos
Voorbeeld: Iedereen bewondert zijn onbaatzuchtige manier van mensen helpen.

onberispelijk = foutloos, keurig
Voorbeeld: Ze ging zoals altijd onberispelijk gekleed.

onderschrijven = beamen, het eens zijn met
Voorbeeld: Ook dat moet ik inderdaad onderschrijven. Oei, hij heeft wel gelijk…

ongeschonden = heelhuids, ongedeerd
Voorbeeld: Gelukkig kon ik ongeschonden verder fietsen.

onherroepelijk = onvermijdelijk
Voorbeeld: Gelukkig ging de bel, want anders hadden we onherroepelijk straf gekregen!

onophoudelijk = zonder ophouden
Voorbeeld: Al kreeg ik nu wel wat buikpijn van het onophoudelijke gelach.

ontberen = missen van wat je heel hard nodig hebt
Voorbeeld: Hij heeft altijd steun van zijn ouders moeten ontberen.

ontdaan = van streek
Voorbeeld: Ik was echter wel wat ontdaan door het voorval.

ontvankelijk = vatbaar zijn / open staan voor indrukken
Voorbeeld: Hij was ontvankelijk voor allerlei vreemde opvattingen.

onverlet laten = onverminderd aanwezig blijven
Voorbeeld: Dit laat onverlet dat de kosten naar beneden moeten op korte termijn.

onverschrokken = niet bang
Voorbeeld: Ondanks de bedreigingen ging hij onverschrokken door met campagne voeren.

opgetogen = zeer blij
Voorbeeld: Ik zag dan ook dat hij opgetogen was dat het net goed was gegaan.

ophemelen = iets of iemand overdreven goed afschilderen
Voorbeeld: De matige voetballer werd vreemd genoeg steevast opgehemeld door de coach.

opportunist = iemand die zonder principes handelt
Voorbeeld: De opportunist probeert overal een slaatje uit te slaan.

oppositie = alle partijen samen die niet in de regering zitten, tegenpartij
Voorbeeld: De oppositie stemde tegen het voorstel.

oppotten = sparen, bewaren
Voorbeeld: Ik ben al maanden geld aan het oppotten voor de vakantie.

optornen = er met moeite tegenin gaan
Voorbeeld: Tegen zulke overmacht kon zij niet optornen.

outillage = uitrusting, materieel
Voorbeeld: De outillage van de Rotterdamse haven is voortreffelijk te noemen.

overtreding = klein vergrijp, iets wat niet mag
Voorbeeld: De automobilist was in overtreding door mij geen voorrang te geven.


P
paljas = clownsfiguur, dwaas
Voorbeeld: Het is een echte paljas, met z’n knotsgekke grappen en grollen.

palpatie = betasting van het lichaam
Voorbeeld: Voor het onderzoek is palpatie van het hele lichaam nodig.

pendule = slingerklok
Voorbeeld: De antiquair had geen interesse in de antieke pendule.

penitentiair = op bestraffing betrekkend hebben
Voorbeeld: Hij moest naar de penitentiaire inrichting.

periferie = buitenkant, buitenrand
Voorbeeld: Het verkeer aan de periferie van de stad liep helemaal vast.

perinataal = kort voor en na de geboorte
Voorbeeld: De perinatale periode is de periode van de 22e zwangerschapsweek tot de 7e dag na de geboorte.

permissief = toegeeflijk, veel toestaand
Voorbeeld: Een permissieve opvoedstijl wordt ook wel een toegeeflijke opvoedstijl genoemd.

persiflage = spottende imitatie, iets nadoen op grappige wijze
Voorbeeld: We lagen allemaal dubbel om de persiflage!

pertinent = absoluut
Voorbeeld: Dat is pertinent niet waar!

pittoresk = schilderachtig, een plek waar met de uitstraling dat het er rustig en prettig is
Voorbeeld: Er komen ieder jaar veel toeristen naar dit pittoreske vissersdorpje.

plannen = bedenken wanneer iets zal gebeuren
Voorbeeld: Maar dit keer had ik alles dus goed gepland.

plausibel = aannemelijk
Voorbeeld: Hoe dan ook, zijn uitleg klinkt plausibel.

pneumatisch = door lucht gedreven
Voorbeeld: Boren met een pneumatische boor.

pompeus = hoogdravend, overdadig, overdreven
Voorbeeld: Het huis was nogal pompeus ingericht.

postscriptum = toevoegsel aan een brief, naschrift
Voorbeeld: PS onder aan een brief staat voor postscriptum.

prestigieus = veel aanzien hebbend
Voorbeeld: Alle acteurs hoopten op de prestigieuze prijs.

principieel = uit vaste overtuiging
Voorbeeld: Ik ben principieel tegen het eten van vlees.

proactief = niet reagerend, maar anticiperend; vooruitdenken
Voorbeeld: Door proactief te handelen is erger voorkomen.

prolongatie = verlenging
Voorbeeld: De prolongatie van mijn verzekering laat ik afhangen van de kosten.

prioriteit = voorrang
Voortaan geef ik mijn huiswerk toch maar wat meer prioriteit, zeker als ik een toets heb!

privatisering = afstoten van overheidstaken naar de marktsector
Voorbeeld: De privatisering van de zorg heeft grote gevolgen voor de kwaliteit gehad.

productief = als je veel doet / maakt
Voorbeeld: Het was een heerlijk productief dagje.

progressief = vooruitstrevend, vernieuwend
Voorbeeld: Deze politieke partij heeft allerlei progressieve ideeën.

prolegomena = inleidende opmerkingen
Voorbeeld: Enkele prolegomena hadden niet misstaan.

proportioneel = in verhouding
Voorbeeld: De opgelegde celstraf is buiten proportioneel hoog volgens de advocaat.

protegé = beschermeling
Voorbeeld: Hij startte zijn carrière als protegé van de bekende zanger.

pseudoniem = schuilnaam
Voorbeeld: Veel schrijvers brengen hun werk uit onder een pseudoniem.

puriteins = zich houdend aan strenge zedelijke normen
Voorbeeld: Ik ben niet zo puriteins opgevoed dat ik nog steeds geen alcohol mocht toen ik op mezelf ging wonen.


Q
quarantaine = (gedwongen) afzondering
Voorbeeld: Anno 2021 zit bijna de hele wereld in quarantaine.


R
ramptoerist = iemand die puur uit sensatie op een ramp afkomt
Voorbeeld: Achter de afzetting stonden allemaal ramptoeristen.

recapituleren = kort samenvatten
Voorbeeld: Kun je dat even recapituleren?

recent = kortgeleden, nieuw
Voorbeeld: Graag even een recent bankafschrift meesturen.

recursief = zichzelf herhalend
Voorbeeld: De waarde worden op de volgende manier recursief berekend.

recidief = (medisch) terugkeren
Voorbeeld: Om recidief te voorkomen kunnen deze maatregelen worden toegepast.

reddeloos = hopeloos, verloren
Voorbeeld: De man zag er zo reddeloos uit.

reduceren = beperken, minderen
Voorbeeld: Misschien is het tijd om die tijd een beetje te reduceren.

rehydratie = vocht aanvulling
Voorbeeld: Na de extreme inspanning was rehydratie hoog nodig.

relevant = belangrijk voor het onderwerp waar het over gaat.
Voorbeeld: Hij hield relevante informatie achter.

resoluut = zonder aarzeling
Voorbeeld: Mijn moeder was echter resoluut en zei dat ik mijn gegevens niet mocht invullen.

ressentiment = wrok, haatdragendheid
Voorbeeld: Na al die jaren koestert hij nog altijd ressentiment jegens hen.

retorische vraag = Een vraag waarop geen antwoord wordt verwacht, maar waarbij de ander zich aangesproken voelt.
Voorbeeld: Zet jij de vuilnis even buiten? Of: Wat is het hier toch geweldig hé?

ridiculiseren = belachelijk maken
Voorbeeld: Hij heeft er een handje van mijn mening te ridiculiseren.

ridicuul = belachelijk
Voorbeeld: Het was een ridicuul besluit.

robuust = krachtig en stevig
Voorbeeld: De robuuste tafel stond prachtig in de kamer.

routine = handigheid die je door ervaring hebt gekregen
Voorbeeld: Hij heeft de nodige routine in het spreken voor publiek.

rubensfiguur = mollige vrouw, zoals de schilder Rubens ze vaak afbeeldde.
Voorbeeld: Hij had een voorliefde voor vrouwen met een rubensfiguur.


S
scam = een vorm van fraude / oplichting
Voorbeeld: Later bleek dus inderdaad dat het een scam was.

sceptisch = geneigd tot twijfel
Voorbeeld: Ik ben niet de enige die sceptisch is over zijn uitleg.

secuur = zorgvuldig
Voorbeeld: Om het precies goed te krijgen dien je uiterst secuur te werk te gaan.

sforzando = sterker, aanzwellend
Voorbeeld: Sforzando is een muziekterm die aangeeft dat de dynamiek op een op bepaald moment versterkt dient te worden.

simpelweg = gewoon
Voorbeeld: Ze wees simpelweg op de afbeelding van de pizza op de menukaart en stak twee vingers omhoog.

sjacheraar = dubieuze handelaar
Voorbeeld: Je moet je ook geen dingen kopen bij die sjacheraar.

sommeren = aanmanen, bevelen
Voorbeeld: Hij werd gesommeerd te vertrekken.

somnambulisme = slaapwandelen
Voorbeeld: Hij leidt al jaren aan somnambulisme.

speculeren = gissen, gokken
Voorbeeld: Hij speculeerde op verlies van de ploeg.

spectrum = verscheidenheid
Voorbeeld: Die bouwmarkt heeft een breed heel spectrum aan gereedschap.

spekkoper = iemand die goede zaken heeft gedaan, geluk heeft gehad
Voorbeeld: Iemand die in deze tijd huizen verhuurt is spekkoper, want hij kan hoge huren vragen.

sporadisch = heel af en toe
Voorbeeld: Het is ook maar sporadisch dat ik het zo te pakken heb.

stagnatie = het stoppen van groei
Voorbeeld: Er lijkt eindelijk sprake van stagnatie op de woningmarkt.

stoïcijns = onverstoorbaar, gelaten
Voorbeeld: Hij reageerde stoïcijns op zijn ontslag.

strangulatie = wurging, afklemming van de keel
Voorbeeld: Uiteindelijk verloor de man zijn bewustzijn door de strangulatie.

structureel = geregeld, fundamenteel
Voorbeeld: Hij komt structureel te laat.

substituut = vervangingsmiddel
Voorbeeld: meer gaan eten als substituut voor het roken.

subjectief = bevooroordeeld, beïnvloed door je eigen mening en gevoelens
Voorbeeld: Een subjectieve uitleg.

sub rosa = in het geheim, in vertrouwen
Voorbeeld: Zij vertelde mij sub rosa wat was besproken.

suggereren = opperen, een suggestie doen
Voorbeeld: Hij suggereerde dus dat ik onduidelijk sprak.

suppressie = onderdrukking, afschaffing
Voorbeeld: Suppressie van de symptomen.

sympathie = een prettig gevoel voor iets of iemand
Voorbeeld: Mijn sympathie voor hem is alleen maar toegenomen.

symposium = congres, conferentie
Voorbeeld: Op het symposium waren veel bekende sprekers.


T
tafereel = gebeurtenis, vertoning
Voorbeeld: Na dit heftige tafereel bood de pestkop zijn excuses aan en we zijn nu zelfs vrienden op Insta.

talloos = zeer veel
Voorbeeld: De meester had ons inmiddels al talloze keren gewaarschuwd.

tectyleren = antiroestbehandeling voor auto’s
Voorbeeld: Het tectyleren kostte veel geld.

temperen = matigen
Voorbeeld: Laat dat je enthousiasme niet temperen!

tergen = treiteren, iemands geduld op de proef stellen door hem te irriteren
Voorbeeld: Ze tergden de hond net zo lang totdat het begon te grommen.

terughoudend = aarzelend, voorzichtig
Voorbeeld: Ik merkte ook dat ik de rest van de rit wat terughoudend was om hard te fietsen.

tomeloos = bovenmatig, niet te stuiten
Voorbeeld: Onze tomeloze inzet werd beloond.

triviaal = gewoon, onbeduidend
Voorbeeld: Ik wens mij niet bezig te houden met triviale zaken.


U
uitdokteren = bedenken, oplossen
Voorbeeld: Laat haar maar uitdokteren hoe ze het de ober duidelijk maakt in deze herrie, dacht ik.

uitweiden = uitvoerig spreken (over bijzaken)
Voorbeeld: De leraar bleef maar uitweiden over de verschillende mogelijkheden.


V
verankeren = stevig bevestigen
Voorbeeld: De houten balk werd in de muur verankerd.

verbijsterd = stomverbaasd, sprakeloos
Voorbeeld: Ik weet nog dat we elkaar verbijsterd aankeken.

verbolgen = kwaad, beledigd
Voorbeeld: Ik was verbolgen over alle onwaarheden die waren gezegd

vergezellen = begeleiden, mee gaan
Voorbeeld: Ze werd vergezeld in de rechtszaal door haar familie.

verguizen = afkraken, beschimpen
Voorbeeld: Het past niet om hen te verguizen terwijl je zelf ook fout zat.

vergoelijken = goedpraten
Voorbeeld: Ze probeerde het gedrag nog te vergoelijken, maar tevergeefs.

verifiëren = checken
Voorbeeld: Het is altijd goed de gegevens op onjuistheden te verifiëren.

verkwisten = verspillen
Voorbeeld: Je zit gewoon je tijd te verkwisten op je telefoon.

vigilant = waakzaam, alert
Voorbeeld: Een vigilante houding.

virulent = venijnig
Voorbeeld: Het virus is bij sommige dieren minder virulent dan bij andere.

vivaciteit = levendigheid
Voorbeeld: Zijn entree ging gepaard met zijn bekende vivaciteit.

voldoening = tevredenheid, vreugde
Voorbeeld: Wist je dat je meer voldoening krijgt van geven dan van nemen?

voraciteit = vraatzucht
Voorbeeld: Jarenlange voraciteit heeft geleid tot dit enorme overgewicht.

vulgair = ordinair
Voorbeeld: De jongen liet het ene na het andere vulgaire woord horen.


W
waarachtig = werkelijk, oprecht
Voorbeeld: Ik weet waarachtig niet waar je het over hebt!

waardeoordeel = mening of iets goed of slecht is
Voorbeeld: Zonder haar gesproken te hebben ga ik daar geen waardeoordeel over geven.

warempel = nota bene
Voorbeeld: Ik had warempel een 9!

wederhoor = het horen / luisteren naar de tegenpartij
Voorbeeld: Er werd een besluit genomen zonder wederhoor van de beschuldigde.

wederrechtelijk = onrechtmatig, illegaal
Voorbeeld: De verdachte bezit een aanzienlijk wederrechtelijk verkregen vermogen.

weigerachtig = niet bereid tot
Voorbeeld: Doe het gewoon in plaats van steeds zo’n weigerachtige houding aan te nemen!

wenken = een seintje geven
Voorbeeld: Hij wenkte nog naar me, alsof hij wilde zeggen: Sorry!


X
xenofiel = welgezindheid jegens vreemdelingen
Voorbeeld: Hij is een xenofiel persoon.

xylografie = houtsnijkunst
Voorbeeld: De man heeft zich helemaal toegelegd op xylografie.


Z
zegevieren = de overwinning behalen
Voorbeeld: Uiteindelijk was het Feyenoord die zegevierde in de spannende wedstrijd.

zoöplastiek = de kunst van het opzetten van dieren
Voorbeeld: Niet iedereen is voorstander van zoöplastiek.


We hebben al deze moeilijke woorden ook verdeeld in niveaus, zodat je op je eigen niveau kunt oefenen. Check dit op de pagina Woordenschat vergroten >>

Bekijk hier onze dure woordenlijst of ben je nieuwsgierig naar de langste Nederlandse woorden? >>