Moeilijke woorden met betekenis

moeilijke woorden met betekenis

Binnen de Nederlandse taal kun je veel woorden op verschillende manieren uitdrukken.

Doordat de woorden dezelfde betekenis hebben, zijn ze volledig willekeurig door elkaar te gebruiken. Hierdoor kan het voorkomen dat je bepaalde woorden niet kent en aanmerkt als zijnde moeilijke woorden. Veel van de zogeheten synoniemen zijn bij een groot publiek bekend en behoren zo’n beetje tot onze “standaard” woordenschat.

Op het eerste gedeelte van deze pagina richten we ons dus op die woorden die gangbaar zijn, maar soms toch als moeilijk worden aangemerkt.
Daaronder vind je een lijst met minder gangbare, maar toch niet helemaal onbekende woorden. Ken jij ze?
We beginnen dus met een opsomming van gangbare, maar moeilijke woorden met hun betekenis en een voorbeeldzin.

Moeilijke woorden met betekenis

A
abominabel = bijzonder slecht
Voorbeeld: De resultaten waren ronduit abominabel.

accorderen = overeenkomen, overeenstemmen
Voorbeeld: De declaratie werd geaccordeerd.

acquisitie = klanten werven
Voorbeeld: Het ongevraagd opbellen om iets te verkopen is een vorm van aquisitie.

adhesie = steun
Voorbeeld: Je adhesie betuigen aan een actie.

affectatie = een schijnbare gemoedsgesteldheid die niet met de werkelijkheid in overeenstemming is
Voorbeeld: Die uitspraak is vrij van affectatie.

affiniteit = natuurlijke interesse, aantrekkingskracht
Voorbeeld: Zij heeft altijd al affiniteit met taal gehad.

afgezant = afgevaardigd persoon
Voorbeeld: Een afgezant van de regering bezocht het getroffen gebied.

afpeigeren = afmatten
Voorbeeld: Afgepeigerd plofte hij op de bank.

ambigu = voor meerdere uitleg vatbaar, dubbelzinnig
Voorbeeld: ‘Ik zie je wel’. Deze zin is ambigu; het betekent ‘ik kan je wel zien’, maar kan ook betekenen ‘ik zie je later wel verschijnen’.

amnestie = kwijtschelding van straf
Voorbeeld: Er werd amnestie verleend aan de gevangene.

annexeren = beslag leggen op een gebied
Voorbeeld: Alle weilanden zijn inmiddels geannexeerd door de gemeente.

antecedent = woord waarnaar verwezen wordt
Voorbeeld: Ik sprak Ollie zojuist en zie haar morgen weer. ‘Ollie’ is in deze zin het antecedent.

archipel = eilandengroep
Voorbeeld: Indonesië bestaat uit een archipel.

associatie = koppeling, verbinden van de ene gedachte met de andere
Voorbeeld: Dat bracht negatieve associaties van vroeger met zich mee.

auspiciën = bescherming, supervisie
Voorbeeld: Een ieder werkt onder auspiciën van het afdelingshoofd.


B
bagatelliseren= als onbelangrijk voorstellen
Voorbeeld: Hij bagatalliseerde de feiten in mijn betoog.

basaal = fundamenteel, aan de basis liggend
Voorbeeld: Dat behoort tot de basale kennis.

bassesse = laagheid, sluwheid
Voorbeeld: De hele actie was één grote daad van bassesse.

beduimelen = bevlekken door aanraking met vuile vingers
Voorbeeld: Hij beduimelde het schilderij met zijn vieze handen.

behept = in het bezit zijn van, lijden aan
Voorbeeld: Hij is behept met allerlei vreemde kwaaltjes.

bilateraal = tweezijdig
Voorbeeld: De beide landen respecteren al jaren de bilaterale afspraken.


C
catastrofe = ramp
Voorbeeld: Het is een catastrofe voor de hele bedrijfstak.

capitulatie = overgave
Voorbeeld: Na de capitulatie was de oorlog voorbij.

cineast = filmmaker
Voorbeeld: De cineast had reeds vele prijzen ontvangen.

clementie = genade, welwillendheid
Voorbeeld: Hij toonde clementie jegens zijn opponent.

clownesk = als een clown
Voorbeeld: Hij trok de aandacht met zijn clowneske gedrag.

committeren = opdracht geven, binden
Voorbeeld: Zijn committeerden zich aan het genomen besluit.

compilatie = verzameling
Voorbeeld: Van alle beelden werd een mooie compilatie gemaakt.

competentie = deskundigheid
Competenties zijn vaardigheden of kwaliteiten die je kunt ontwikkelen.

compulsief = dwangmatig
Voorbeeld: Dat hij iedere keer het schilderij recht moet hangen is een vorm van compulsief gedrag.

concretiseren = iets concreet maken, vast vorm geven
Voorbeeld: Kun je dat verhaal concretiseren voor mij?

congruent = overeenstemmend
Voorbeeld: Hij vertoont congruent gedrag, hij reageert namelijk precies zoals hij zich voelt van binnen.

conjunctuur = economische golfbeweging
De schommelingen in de economische groei op korte termijn noem je conjunctuur.

connotatie = gevoelswaarde, ondertoon
Voorbeeld: Zijn lezing had een negatieve connotatie.

contesteren= bestrijden, betwisten
Voorbeeld: De actiegroep bleef het onrecht contesteren.

controversieel = omstreden, waarover grote meningsverschillen bestaan
Voorbeeld: Het betreft een zeer controversiële aangelegenheid.

coöperatief = medewerkend
Voorbeeld: Hij stelt zich immer coöperatief op.

correlatie = onderliggend verband
Voorbeeld: Er is geen correlatie gevonden tussen de beide zaken.


D
dichotoom = met 2 mogelijkheden
Voorbeeld: Je kunt met ja of met nee antwoorden op deze dichotome vraag.

deballoteren = afwijzen bij stemming
Voorbeeld:Hij werd gedeballoteerd tijdens de vergadering.

declameren = voordragen
Voorbeeld: Zij declameert het stuk met gevoel en humor.

derving = verlies, gemis
Voorbeeld: Door diefstaf is er een aanzienlijke omzetderving.

determinant = bepalende factor
Voorbeeld: Slechte voeding is een determinante factor bij het krijgen van overgewicht.

dogmatisch = eigenzinnig, onbuigzaam
Voorbeeld: Zij stellen zich erg dogmatisch op.

drogreden = schijnreden, kromme redenering
Voorbeeld: De lezing van de politicus zat vol drogredenen om maar niet de verantwoordelijkheid te hoeven nemen.


E
electoraat = het kiezersvolk
Voorbeeld: Het electoraat stemde massaal tegen.

empathisch = met inlevingsvermogen
Voorbeeld: Hem ontbreekt werkelijk iedere vorm van empathie.

empirisch = berustend op ervaring of waarneming
Voorbeeld: Er konden duidelijke conclusies worden getrokken uit het empirische onderzoek.

enerverend = spannend, zenuwslopend
Voorbeeld: Het was een enerverende avond.

enigma = raadsel
Voorbeeld: De enigma’s van zijn mysterieuze leven.

epiloog = slotwoord
Voorbeeld: In de epiloog refereerde de schrijver er nog aan.

epoque = tijdstip, tijdvak
Voorbeeld: Dit stuk behoort tot de meest invloedrijke uit zijn epoque.

erudiet = belezen, uitgebreide kennis en smaak bezittend
Voorbeeld: Hij werd alom gezien als een erudiet persoon.

ethisch = moreel, wat met goed en kwaad te maken heeft
Voorbeeld: De vraag is of dat ethisch verantwoord is…

explicatie = uitleg
Voorbeeld: Haar explicatie was warrig en zat vol tegenstrijdigheden.


F
federatie = bond, verbond
Een federatie van 5 staten.

ferociteit = wildheid, woestheid
Voorbeeld: De uitbarsting was de zoveelste uiting van zijn ferociteit.

fiduciair = op vertrouwen berustend
Voorbeeld: Het fiduciaire karakter van de afspraken gaven de onderlinge verhoudingen goed weer.

filantroop – weldoener
Voorbeeld: De filantroop heeft al zoveel goeds gedaan voor deze bevolkingsgroep.

flamboyant = vurig, hartstochtelijk, vol temperament
Voorbeeld: Hij is een flamboyante persoon die met volle teugen van het leven geniet.

flux de bouche = welbespraaktheid
Voorbeeld: Hij staat bekend om zijn flux de bouche.

frugaal = sober, matig, karig
Voorbeeld: De opbrengst was ook dit jaar frugaal te noemen.

fundamenteel = essentieel, wezenlijk
Dat is een fundamenteel verschil.


G
geëquilibreerd = in evenwicht
Voorbeeld: In de toespraak waren humor en ernst perfect geëquilibreerd.

globalisering = proces van wereldwijd worden, mondialisering
Voorbeeld: De globalisering maakt het verspreiden van virussen steeds makkelijker.

gremium = adviescollege
Voorbeeld: Jan Marijnissen sprak vaak over diverse gremia.

groggy = niet helder van geest, dronken, onvast op de benen
Voorbeeld: Nog groggy van de uppercut wankelde de bokser naar zijn hoek.


H
hectisch = chaotisch
Voorbeeld: Het waren hectische dagen, maar de rust is nu wedergekeerd.

hegemonie = alleenheerschappij, overwicht
Voorbeeld: De hegemonie van de Nederlandse kickboksers gaf ons landje aanzien in de vechtsportwereld.

hermetisch = volledig dicht, luchtdicht
Voorbeeld: De ruimte is hermetisch afgesloten.

hiërarchie = rangorde
Voorbeeld: Hij staat bovenaan in de hiërarchie van het elftal.

holistisch = alomvattend, kijkend naar het geheel
Voorbeeld: Sommige mensen kiezen voor een holistische benadering van ziektes.

hospiteren = als gast bijwonen
Voorbeeld: Het internet staat vol met tips voor als je gaat hospiteren.

hybris = Oudgrieks woord voor overdreven trots, overmoed
Voorbeeld: De hybris van de president die alles maar dacht op te kunnen lossen.

hypothese = veronderstelling, idee waarvan nog moet worden bewezen dat het juist is.
Voorbeeld: Er zijn nog vele experimenten nodig om de hypothese te bewijzen.


I
indoctrinatie = hersenspoeling, inprenting van ideologieën
Voorbeeld: Jarenlang is hij blootgesteld aan de indoctrinatie van de sekteleider.

idiosyncratisch = met een eigen, afwijkend karakter
Voorbeeld: Het idiosyncratische gedrag van de jeugd van tegenwoordig.

inkleden = op een bepaalde manier brengen
Voorbeeld: Zij wist het zo in te kleden dat het leek of haar geen blaam trof.

initiatie = inhuldiging
Voorbeeld: Na de initiatie was de jonge man volwaardig lid van de gemeenschap.

interventie = tussenkomst
Voorbeeld: Buitenlandse interventie was nodig om het conflict niet verder uit de hand te doen lopen.

implicatie = gevolg
De implicaties zijn niet te overzien.


J
jargon = vaktaal
Voorbeeld: Voor niet insiders was het jargon van de spreker niet te volgen.

jobstijding = ongeluksbericht, erg slechte boodschap
Voorbeeld: De vrouw werd overvallen met de jobstijding dat haar man was overleden.


K
kakafonie = veel lelijk geluid (wordt ook gebruikt voor andere zintuigen), herrie
Voorbeeld: Een kakafonie van onsamenhangende kleuren.

koddig = lachwekkend, vermakelijk
Voorbeeld: Het zag er allemaal erg koddig uit.

kolder = onzinnige praat, flauwekul
Voorbeeld: Wat een kolder praat je toch weer!


L
lankmoedig = verdraagzaam
Voorbeeld: Het is bijzonder te zien hoe lankmoedig hij reageertop al het onrecht.

legitiem = wettig, rechtvaardig
Voorbeeld: Dat is nog altijd geen legitiem bewijs.

luguber = huiveringwekkend
Voorbeeld: Met open mond luisterden ze naar het lugube verhaal.

louter = slechts
Voorbeeld: Een man met louter goede bedoelingen.

ludiek = bijzonder, speels
Voorbeeld: Door de ludieke actie hebben ze veel nieuwe klanten gekregen.

lukraak = zonder nadenken
Voorbeeld: Hij floepte het er lukraak uit.


M
macaber = luguber, huiveringwekkend
De veroordeelde man bleek macabere gewoontes te hebben.

matineus = gewend vroeg op te staan
Voorbeeld: Zij is niet echt een matineus mens.

melancholie = droefgeestigheid, zwaarmoedigheid
Voorbeeld: In een melancholische stemming keek hij terug naar die periode.

melodramatisch = sentimenteel
Voorbeeld: De melodramatische film kreeg zelfs mijn zus aan het snotteren.

meteorologisch = weerkundig
Voorbeeld: Uit meteorologische rapporten blijkt dat het nog nooit zo koud was.

mogendheid = land dat zichzelf bestuurt en een dominante positie inneemt.
Voorbeeld: Nederland was tijdens het koloniale tijdperk een belangrijke mogendheid.

mondialisering = globalisering
Voorbeeld: Wereldwijd handelen gaat steeds makkelijker door de mondialisering.


N
Namasté = Hindoïstische groet
Voorbeeld: Hindus groeten de goden en elkaar met deze groet.

nautisch = scheepvaart of de watersport betreffende
Voorbeeld: Stuurboord en bakboord zijn nautische termen.

navenant = in overeenstemming met iets dat eerder is genoemd
Voorbeeld: De speler speelde dramatisch en de uitslag was navenant.

nepotisme = bevoordelen van familie
Voorbeeld: De leider maakte zich met de schenkingen schuldig aan nepotisme.

nivellering = (het) gelijkmaken, verkleinen van verschillen
Voorbeeld: De helft van de bevolking wil nivellering van de inkomens via belastingen.


O
omineus = een (slecht) voorteken bevattend, onheilspellend
Voorbeeld: Hij sprak op omineuze wijze.

ontvankelijk = vatbaar zijn / open staan voor indrukken
Voorbeeld: Hij was ontvankelijk voor allerlei vreemde opvattingen.

opportunist = iemand die zonder principes handelt
Voorbeeld: De opportunist probeert overal een slaatje uit te slaan.

optornen = er met moeite tegenin gaan
Voorbeeld: Tegen zulke overmacht kon zij niet optornen.


P
paljas = clownsfiguur, dwaas
Voorbeeld: Het is een echte paljas, met z’n knotsgekke grappen en grollen.

penitentiair = op bestraffing betrekkend hebben
Hij moest naar de penitentiaire inrichting.

periferie = buitenkant, buitenrand
Voorbeeld: Het verkeer aan de periferie van de stad liep helemaal vast.

pompeus = hoogdravend, overdadig, overdreven
Voorbeeld: Het huis was nogal pompeus ingericht.

postscriptum = toevoegsel aan een brief, naschrift
Voorbeeld: PS onder aan een brief staat voor postscriptum.

puriteins = zich houdend aan strenge zedelijke normen
Voorbeeld: Ik ben niet zo puriteins opgevoed dat ik nog steeds geen alcohol mocht toen ik op mezelf ging wonen.

privatisering = afstoten van overheidstaken naar de marktsector
Voorbeeld: De privatisering van de zorg heeft grote gevolgen voor de kwaliteit gehad.

progressief = vooruitstrevend, vernieuwend
Voorbeeld: Deze politieke partij heeft allerlei progressieve ideeën.


Q
quarantaine = (gedwongen) afzondering
Voorbeeld: Anno 2021 zit bijna de hele wereld in quarantaine.


R
recapituleren = kort samenvatten
Voorbeeld: Kun je dat even recapituleren?

rehydratie = vocht aanvulling
Voorbeeld: Na de extreme inspanning was rehydratie hoog nodig.

ridicuul = belachelijk
Voorbeeld: Het was een ridicuul besluit.

rubensfiguur = mollige vrouw, zoals de schilder Rubens ze vaak afbeeldde.
Voorbeeld: Hij had een voorliefde voor vrouwen met een rubensfiguur.


S
sjacheraar = dubieuze handelaar
Voorbeeld: Je moet je ook geen dingen kopen bij die sjacheraar.

sommeren = aanmanen, bevelen
Voorbeeld: Hij werd gesommeerd te vertrekken.

speculeren = gissen, gokken
Voorbeeld: Hij speculeerde op verlies van de ploeg.

structureel = geregeld, fundamenteel
Voorbeeld: Hij komt structureel te laat.

subjectief = bevooroordeeld, beïnvloed door je eigen mening en gevoelens
Voorbeeld: Een subjectieve uitleg.

substituut = vervangingsmiddel
Voorbeeld: meer gaan eten als substituut voor het roken.

sub rosa = in het geheim, in vertrouwen
Voorbeeld: Zij vertelde mij sub rosa wat was besproken.

suggereren = opperen, een suggestie doen
Voorbeeld: Hij suggereert daarmee dat het jouw schuld is.

symposium = congres, conferentie
Voorbeeld: Op het symposium waren veel bekende sprekers.


T
temperen = matigen
Voorbeeld: Laat dat je enthousiasme niet temperen!


V
vigilant = waakzaam, alert
Voorbeeld: Een vigilante houding.


X
xenofiel = welgezindheid jegens vreemdelingen
Voorbeeld: Hij is een xenofiel persoon.


Moeilijkere, minder gangbare woorden

moeilijke woorden met voorbeeld

Met de woorden hieronder gaan we een stapje verder. Ze zijn iets minder gangbaar in onze spreektaal, maar nog altijd geen totaal onbekende woorden.

De betekenis van deze moeilijke woorden is voor veel mensen absoluut onbekend. Sterker nog, velen hebben überhaupt nog nooit van deze woorden gehoord! Ze worden slechts zelden gebruikt en kunnen we met recht moeilijke woorden noemen.
Wil je je woordenschat vergroten, dan zijn dit prima woorden om erbij te leren. Ken jij deze moeilijke(re) woorden en hun betekenis?


afasie = het onvermogen te spreken
Het is een taalstoornis, waarbij iemand niet meer kan zeggen wat ie wil.

anamnese = verslag van een patiënt over de voorgeschiedenis van zijn ziekte
Voorbeeld: De behandeld arts voerde anamnese uit om een zo volledig mogelijk beeld van de klachten van de patiënt te vormen.

baliekluiver =nietsnut
Voorbeeld: De baliekluiver zat zoals gewoonlijk weer uit zijn neus te eten.

biënnium = periode van 2 jaar
Voorbeeld: Het budget voor het komende biënnium was erg ruim.

bronstig = loops
Voorbeeld: Het bronstige teefje was niet meer te houden.

catechisatie = godsdienstonderwijs
Voorbeeld: Zij gaat iedere zaterdag naar catechisatie.

concubinaat = het samenleven van een man en een vrouw zonder huwelijk
Voorbeeld: Zij leefden reeds vele jaren in concubinaat.

demaskeren = ontmaskeren, iemands ware aard laten zien
Voorbeeld: Eindelijk lukte het hem de man te demaskeren als de dader.

dissertatie = proefschrift
Voorbeeld: De student schreef een uitmuntend dissertatie.

domesticatie = het temmen van wilde dieren tot huisdieren
Voorbeeld: Het proces van domesticatie kan soms jaren duren.

esthetiek = kunstgevoel, schoonheidsleer
Voorbeeld: Kunnen we stellen dat plastische chirurgie valt onder esthetiek?

fibromyalgie = pijn in bindweefsel en spieren
Voorbeeld: Hij heeft al jaren last van fibromyalgie.

fulminant = woedend, razend
Een fulminante scheldkanonnade volgde.

fytofaag = herbivoor, planteneter
Voorbeeld: Geen vlees voor deze fytofaag.

gebeuzel = onzinnige praat
Voorbeeld: Er kwam zoals gewoonlijk alleen maar gebeuzel uit zijn mond.

humoraal = de lichaamsvochten betreffend
Voorbeeld: Het humorale afweersysteem richt zich op ziekteverwekkers in het lichaamsvocht.

hypo = te lage bloedsuikerspiegel
Voorbeeld: Door iets zoets tot je te nemen gaat de hypo over.

inflammatie = (medische) ontsteking
Voorbeeld: Inflammatie is een reactie op een schadelijke prikkel in het lichaam.

incrimineren = (van misdaad) beschuldigen
Voorbeeld: Zij incrimineren hetgeen gebeurt is en willen hem vervolgen voor het misdrijf.

lasciviteit = wulpsheid
Voorbeeld: De lasciviteit straalde van haar af.

linguïstiek = taalkunde
Voorbeeld: Linguïstiek is de wetenschappelijke studie naar talen.

mitigeren = minder erg maken, afzwakken
Voorbeeld: De medicijnen mitigeerden de symptomen.

murmelen = onverstaanbaar praten
Zijn gemurmel kon ik niet verstaan.

myopie = bijziendheid
Voorbeeld: Bij myopie is een min-bril nodig om scherp te zien.

ney = muziekinstrument, voorloper van de fluit
Voorbeeld: De ney is de voorloper van de fluit.

outillage = uitrusting, materieel
Voorbeeld: De outilage van de Rotterdamse haven is voortreffelijk te noemen.

palpatie = betasting van het lichaam
Voorbeeld: Voor het onderzoek is palpatie van het hele lichaam nodig.

pendule = slingerklok
Voorbeeld: De antiquair had geen interesse in de antieke pendule.

perinataal = kort voor en na de geboorte
Voorbeeld: De perinatale periode is de periode van de 22e zwangerschapsweek tot de 7e dag na de geboorte.

pneumatisch = door lucht gedreven
Voorbeeld: Boren met een pneumatische boor.

prolegomena = inleidende opmerkingen
Voorbeeld: Enkele prolegomena hadden niet misstaan.

recidief = (medisch) terugkeren
Voorbeeld: Om recidief te voorkomen kunnen deze maatregelen worden toegepast.

recursief = zichzelf herhalend
Voorbeeld: De waarde worden op de volgende manier recursief berekend.

ressentiment = wrok, haatdragendheid
Voorbeeld: Na al die jaren koestert hij nog altijd ressentiment jegens hen.

somnambulisme = slaapwandelen
Hij leidt al jaren aan somnambulisme.

strangulatie = wurging, afklemming van de keel
Uiteindelijk verloor de man zijn bewustzijn door de strangulatie.

suppressie = onderdrukking, afschaffing
Voorbeeld: Suppressie van de symptomen

tectyleren = antiroestbehandeling voor auto’s
Het tectyleren kostte veel geld.

xylitol = zoetstof, suikervervanger
In veel suikervrije producten zit xylitol.

zoöplastiek = de kunst van het opzetten van dieren
Niet iedereen is voorstander van zoöplastiek.

sforzando = sterker, aanzwellend
Voorbeeld: Sforzando is een muziekterm die aangeeft dat de dynamiek op een op bepaald moment versterkt dient te worden.

verankeren = stevig bevestigen
Voorbeeld: De houten balk werd in de muur verankerd.

vivaciteit = levendigheid
Voorbeeld: Zijn entree ging gepaard met zijn bekende vivaciteit.

virulent = venijnig
Voorbeeld: Het virus is bij sommige dieren minder virulent dan bij andere.

voraciteit = vraatzucht
Voorbeeld: Jarenlange voraciteit heeft geleid tot dit enorme overgewicht.

xylografie = houtsnijkunst
Voorbeeld: De man heeft zich helemaal toegelegd op xylografie.


Bekijk hier onze dure woordenlijst of ben je nieuwsgierig naar de langste Nederlandse woorden? >>